Hoge Raad: einde aan het ‘slapende dienstverband’?

Geplaatst op: 11 november 2019

Zoals eerder door ons gesignaleerd heeft de Hoge Raad vandaag de prejudiciële vraag beantwoord over de toelaatbaarheid van slapende dienstverbanden.

 

Slapend dienstverband

Wat houdt een slapend dienstverband in? Als een werknemer langdurig arbeidsongeschikt (langer dan 104 weken) is, komen in principe de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever en het opzegverbod bij ziekte te vervallen. Als de werkgever de arbeidsovereenkomst vervolgens toch niet beëindigt, ontstaat de situatie waarin de werknemer geen werkzaamheden meer verricht en de werkgever geen loon meer betaalt, maar de arbeidsovereenkomst wel ‘slapend’ doorloopt. Meestal doet de werkgever dit om te voorkomen dat hij de wettelijke transitievergoeding moet betalen.

 

De Hoge Raad oordeelt nu dat als de werknemer met zo’n slapend dienstverband aan de werkgever vraagt om dit dienstverband te beëindigen onder betaling van de transitievergoeding, de werkgever op grond van goed werkgeverschap in beginsel gehouden is aan dit verzoek te voldoen. Dit kan anders zijn als de werkgever gerechtvaardigde belangen heeft gehad om de arbeidsongeschikte werknemer toch in dienst te houden, bijvoorbeeld als er een reëel uitzicht is op re-integratie.

 

Wet compensatie transitievergoeding

Het oordeel van de Hoge Raad heeft alles te maken met de Wet compensatie transitievergoeding die vanaf 1 april 2020 in werking treedt. Deze wet regelt dat werkgevers door het UWV worden gecompenseerd voor betaling van de transitievergoeding na 104 weken ziekte. Daardoor gaat het argument dat een werkgever door betaling van de transitievergoeding op hoge additionele kosten wordt gejaagd, niet meer op. Bovendien is duidelijk, aldus de Hoge Raad, dat de wetgever af wil van de ‘slapende dienstverbanden’.

 

Wel geldt volgens de Hoge Raad dat de hoogte van de te betalen vergoeding beperkt kan blijven tot het bedrag dat de werkgever aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn geweest als het dienstverband was geëindigd op de dag na afloop van de 104-weken termijn. De Hoge Raad lijkt daarmee te zeggen dat een werkgever bij beëindiging van een slapend dienstverband niet een hogere vergoeding moet betalen dan het bedrag aan transitievergoeding dat hij direct na afloop van de 104-weken periode verschuldigd zou zijn geweest. Dit is nog wel een belangrijk openstaand punt. Als bijvoorbeeld een dienstverband 5 jaar slapend is gehouden, moet de werkgever dan instemmen met een verzoek tot beëindiging van dat dienstverband onder betaling van de volledige transitievergoeding, oftewel berekend tot aan de daadwerkelijke einddatum? Of hoeft hij enkel in te stemmen met het verzoek onder aanbieding van een geldbedrag gelijk aan de transitievergoeding die is berekend op basis van het einde van de 104 weken termijn? Zodra op dit punt in de jurisprudentie is geoordeeld, zullen wij dit natuurlijk signaleren.

 

Indien en zodra mensen zich bij u melden met een verzoek om een regeling onder verwijzing naar deze Hoge Raad uitspraak, zijn er meerdere redenen om snel te schakelen. Neemt u dan snel even contact met ons op.